OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Van de Waddeneilanden naar Mallorca

Meters hoog in Chalon-sur-Saône, daar staan onze namen geschreven

‘Zeilen is ook leren omgaan met problemen’, zegt Rik De Cloet, die met zijn vrouw Nelly van de Waddeneilanden naar Mallorca voer. De avonturen waaiden hen door die instelling gewoon tegemoet. Als dertienjarige leerde Rik De Cloet op de Zeevaartschool in Oostende de knepen van het vak. ‘Ik besefte dat je op een boot de hele wereld ziet, maar dat je niets van de wereld weet, want je ziet alleen de havens en de zee.’ Dus toen hij op zijn 57ste met vervroegd pensioen ging, besloten zijn vrouw Nelly en hun tijd te nemen om te zeilen.

Net zoals ze voor het interview doen. Tweeëneenhalf uur praat Rik – af en toe bijgestuurd door zijn vrouw Nelly, ‘mijn kapitein’- in sappig Gents moeiteloos vol over hun tocht van de Waddeneilanden naar Mallorca, van de Noordzee naar de Middellandse Zee. Of zoals hij het omschrijft van ‘een brave dame naar een grillige madam.’

Drieëndertig jaar hebben ze hun boot. ‘Een oud knikspantje. Ik had geleerd dat de beste zeilbootjes tussen de acht en de elf meter zijn, omdat je dan gemakkelijker tussen de golven kan varen en in plaats van erin te duiken. Vroeger waren wij een middenklasser, nu zijn wij altijd de kleinste. Maar het is zoals de Engelsman zegt: ‘it’s not the seize of the boat, it’s the notion of the ocean’.’

Aanvankelijk heette hun bootje ‘Blowing in the wind’ – we zien wel waar we uitkomen. Maar … ‘We voeren Holland binnen en iedereen kwam vragen of we iets te blowen hadden. Van Middelburg tot Alkmaar. En de politie liet meer dan eens de drugshond in onze boot los. Niets te vinden, natuurlijk. Als we terugkeerden naar België, was het van hetzelfde: ‘kom maar eens naar de kant!’ Dus toen hebben we besloten om de naam te veranderen in ‘Anyway the wind blows’. En we hebben zoals dan gebruikelijk is de hele boot herschilderd, anders zink je (lacht).’

Ze zeilden bij wijze van proef een jaar door Nederland. ‘Want er is een enorm verschil tussen op vakantie gaan met de boot of er op wonen’, zegt Nelly.

‘Het is een prachtig land om door te varen’, zegt Rik. ‘Een huis dat vaart, een auto op het water met de koplichten aan of een BMW met daarachter een caravan en een wc, alledrie op een vlot. Dat kom je daar allemaal tegen. Of skûtsjesilen, allemaal platbodems met een zak in de mast die naar beneden valt om het zeil op te trekken bij de start. En jenever en Berenburger uitwisselen. Overal is er wat te doen, altijd is er ambiance.’

Daarna keerden ze terug naar Gent en de Leie volgen tot aan de bron leek hen een goed volgend plan. Maar het werd een ontgoocheling. ‘De Leie is mooi van Gent tot in Drongen. Daarna wordt ze een kanaal en in Frankrijk is het allemaal lis dat via het spoelwater zelfs tot in je toilet geraakt. Hoeveel keer ik de schroef niet heb moeten schoonmaken…’

Dus besloten ze in Armentiers om het Canal du Nord te nemen, een stukje van de Somme te doen, naar Parijs te varen en dan richting Middellandse Zee.

Schilderen in Parijs

Met hun motortje van 10 pk – ‘traag, maar beresterk’ – voeren ze Parijs binnen. ‘Met vijf kilometer per uur tegen de stroom in de Seine op. We maakten foto’s van al die mooie bruggen en aan die bij de Eiffeltoren zat er ineens een plastic zak in de schroef. Er was veel scheepvaartverkeer en we dreven af. Ik zag de flitsen van de fototoestellen aan de kant al af gaan en geen enkele boot wou ons helpen aanmeren. ‘Je m’en fou’ en ‘fout le camp’, riepen ze. Met veel moeite zijn we aan de kant geraakt en hebben we die zak losgepeuterd terwijl we met de boot tegen de muur lagen te kloppen. We stonden op een geven moment te beven op onze benen.’

Uiteindelijk kwamen ze in Arsenal, de haven van Parijs, terecht. ‘Een bootje van 8,5 meter? Voor zestien euro per dag mochten we daar liggen. Zestien euro! Terwijl je er in Nederland twintig betaalt. Hallelujah! We zijn daar veertien dagen gebleven en hebben heel Parijs bezocht. Op een dag komen we terug uit de stad en zien we een hoop volk rond ons bootje. Wat nu weer, dachten we. Bleek het leerlingen te zijn die hem na aan het schilderen waren. De mast die plat lag, de was die ophing, onze twee fietsen, het koperen kompas, … Ik dacht: kijk eens aan, hebben we geen mooie boot (lacht)? Er kwam later nog een Amerikaan naast ons liggen met een boot van zestien meter. De Middellandse Zee vond hij maar niks. ‘Te warm, te veel volk, te duur, wind of geen wind.’ Hij kwam van de Bahama’s, zei hij, en daar was het perfect om te zeilen. Ik heb hem gezegd: ‘Ga dan terug naar ginder, hé (lacht).’ Ik vind: in het leven van een zeiler heb je altijd problemen, daar moet je maar mee leren omgaan.’

Onderweg naar de Middellandse Zee – ‘schitterende herfstlandschappen gezien’ – legden ze aan in Chalon-sur-Saône, dat ze tijdens de eindejaarsfeesten even ruilden voor België. Toen ze terugkeerden, bleek het gebied overstroomd. ‘We konden de haven niet meer uit, het was verboden om te varen zelfs. Onder de brug was nog maar een klein gaatje en het water kolkte en stroomde. Ongelooflijk!’

Nelly: ‘Op een gegeven moment was het water zo hoog gestegen dat we bovenaan een steiger ‘Anyway the wind blows’, met de datum en onze namen schreven…’

Rik: ‘… en toen het weer droger werd, lagen we, denk ik, acht meter lager’, grijnst Rik.

Nelly: ‘Dus nu kan je ginder heel hoog onze naam zien staan.’

Rik: ‘Toen het water zakte, begon het ook nog te vriezen. De koudste winter in jaren: we lagen vast in vijf centimeter ijs. De havenmeester wist niet wat te doen, dus ben ik met hem rondgevaren in zijn ijzeren werkboot om het ijs te breken.’

Ze werden er de stamgasten van een klein café: le Bar du Vin.

‘Er stond een vrouw achter de toog – je zou gedacht hebben dat het een bokser was – en ze was zelf haar beste klant, geloof ik. We bleven daar komen, leerden mensen kennen en werden op den duur bij hen thuis uitgenodigd. We zouden drie dagen blijven, maar het zijn zes maanden geworden. Dat is ook varen, hé. Toen we vertrokken, is het café failliet gegaan. Het heeft, denk ik, overleefd op ons (lacht).’

Nelly: ‘We hebben daarna nog pech gekregen ‘in the middle of nowhere’. We zijn op een veld zelfs aardappelen moeten gaan rapen, want we hadden geen eten meer.’

Benzine is geen diesel

Eenmaal de Rhône afgevaren, sliepen ze voor het eerst op de Middellandse Zee in Port du Camargue.

Rik: ‘Zo’n haven! Ongelooflijk. Boten van vijftig meter, madammen met grote hoeden en een voile rond hun ‘kiekenekke’, mannen met dikke buiken die champagne zitten te drinken … En wij komen daar aan met ons klein bootje. We hebben ons helemaal op het einde van de haven gelegd en er is nooit iemand komen vragen om te betalen of wat wij daar deden.’

Nelly: ‘Alleen vijf man van de douane. Twee aan boord en drie aan de kant. Met pistolen.’

Rik: ‘Er steken er veel over uit Tunesië met drugs, dus de drugshond was daar ook weer (lacht).’

Nadat ze een nieuwe dieseltank van 2,5 kilo hadden gestoken in plaats het lekkende exemplaar van 30 kilo voeren ze voorgoed de Middellandse zee op. ‘Ik zette het mastje recht, maar de stagkabel was volledig uitgerafeld van te liggen ‘dansen’. Dus dat moet dan gemaakt worden door die buis open te sleutelen. Ze zeggen niet voor niets: ‘Koop een boot en werk u dood’. Je blijft eraan bezig.’

Nelly: ‘We zijn de kust gevolgd tot aan de grens met Spanje. Je moest niet weten dat je de grens bereikt had om het te merken. Je zag het aan de mensen: in Frankrijk liepen ze met een gezicht tot op de grond, in Spanje was iedereen vrolijk. Na de jaren zestig is de sfeer in Frankrijk helemaal omgeslagen.’

Na zes maanden Barcelona, waar ze alle typisch Spaanse feestelijkheden meemaakten, trokken Rik en Nelly naar Dénia om over te steken naar Ibiza – ‘Maar dat is niet goed bevallen, te veel lawaai, te veel dronkenschap’ – en aan te meren in San Antonio. ‘Om zes uur ’s ochtends. En om negen uur moesten we bij het havenhoofd komen. We wilden twee dagen blijven, maar we moesten drie dagen betalen, vijftig euro per dag. Ze werkten als een hotel, zeiden ze, niet als een haven. Terwijl je als schipper het recht hebt op gratis water en zes uur rust aan de passantensteiger. Dat is de wet van de zee. Ik bleef volhouden, maar die vrouw achter de balie duwde op een knopje en er kwamen twee stoere mannen binnen. Twee meter breed en drie meter hoog (lacht). Mijn vrouw heeft mij bij mijn col gescharreld en direct buiten getrokken. Ertegenover lag een kleiner haventje, waar je tot onze verbazing de helft minder betaalde.’

De dag dat Rik met een klein bidonnetje om diesel ging, staat nog in hun geheugen gegrift. ‘Na een tijdje rook ik iets op de boot en toen ik ging kijken stond ik met mijn voeten in de benzine. Ze hadden zich vergist en het kraantje van de bidon was gesmolten. De hele boot rook naar de ‘nafte’. Enfin, buiten geslapen, gespoten met lavendelgeur, maar toen we water dronken, smaakte dat slecht. Allez, hup, alle leidingen vervangen omdat we dachten dat benzine erin getrokken was. Maar toen dat niet hielp, kwamen we te weten dat het water ginder eigenlijk ontzilt zeewater is en dat dat een aparte smaak heeft (lacht).’

Blauwe lippen in de storm

Met een gunstige wind van zes beaufort staken ze over naar Mallorca. ‘We halen normaal 5 knopen, maar toen gingen we er 7!. Een Fransman vroeg waar mijn automatische piloot zat. Het verbaasde hem dat ik nog zelf aan het roer stond. Vandaag doen zeilers dat niet meer, zei hij. Ze duwen op een plusje en een minnetje terwijl ze rondkijken. Er was een Nederlander die Mallorca rond was gevaren met de automatische piloot en ondertussen had hij een boekje gelezen, zei hij. Maar wat doe je dan eigenlijk nog? Hoe kan je zo meesurfen op de golven en optimaal de wind pakken als die telkens verandert? Veel zeilers weten ook niet meer hoe ze een anker moeten leggen. Vorig jaar passeerde er ons een jacht van drie verdiepingen en er stonden vier ‘Pinokkio’s’ die iets naar ons bralden. ‘Hoe kleiner de boot, hoe groter de zeeman’, heb ik teruggeroepen (lacht). Ach, je moest eens weten hoeveel mensen er een boot kopen zonder er enig benul van te hebben hoe ze ermee moeten varen. Dat is zoals een auto hebben en niet kunnen parkeren.’

Twee jaar geleden kwamen ze onverwacht in een storm terecht. ‘We waren met mooi weer vertrokken naar Pollentia. Op een kilometer of dertig zagen we ineens bliksem. Er stak ons een Oostenrijker voorbij en Nelleke zei dat de lucht wat zwart werd. Ik dacht: dat gaat uitbreiden, we gaan rechtsom. Dat deed die Oostenrijker ook. Een kwartier later kregen we een windstoot, jongens toch! Ik kon nog net de genua lossen, maar het grootzeil niet. Dat vloog plat in het water, de stagkabel – teng! – brak af en ik kon nog net een touw vanuit de mast naar de ijzeren reling spannen met de lier om hem recht te trekken. En toen begon het onweer pas echt. Wind, regen, golven. Die Oostenrijker voer op de motor weg, met de zeilen gereefd en wij ook, maar iets trager. Ik zat in een T-shirt en korte broek in de koude regen. Nelleke ging onderin mijn trui, regenjas en toch ook maar de reddingsvesten halen, maar ze sloeg in de kajuit van de ene naar de andere kant. Het duurde een halfuur voor ze boven kwam. Na vijf uur aan het roer begon ik blauwe lippen te krijgen, dus ze had de reddingsdienst al gebeld, maar gelukkig ging het onweer toen net over.’

Nelly: ‘Het ging veertig minuten duren voor ze bij ons waren. Ik heb nog kunnen terugbellen dat het toch nog op eigen kracht ging lukken. Maar de haven lag vol beschadigde boten.’

Rik: ‘Die Oostenrijker had dikke hagelbollen op zijn dek gekregen. Op één boot zagen we een vrouw aan wal stappen. ‘No more in my life I’m going on a boat’, riep ze (lacht). Ze vragen mij dikwijls hoe het komt dat mijn vrouw nog altijd mee is aan boord. Dan antwoord ik: ‘Omdat ik een gentleman ben. Je moet niet op je vrouw roepen, je moet het zelf doen als ze het niet kan.’ Ik heb haar de knopen geleerd en ze sprong van in het begin van de boot om aan te meren. Ze bekijkt ook alles op voorhand, het weer de havens, de route, …. Ik dacht: goed gerief, dat moet je houden (lacht).’

Sinds 2009 zijn ze onderweg, met soms een onderbreking van anderhalve maand in Gent om administratie in orde te brengen of om medische redenen.

Rik: ‘We zouden nog naar Corsica en Griekenland varen en eindigen in Turkije, maar ik ben er 70. Als ik zeven uur zeil, ben ik pompaf. We merkten dat onze ouderdom begon door te wegen. Vroeger kwamen we in een haven, gingen we iets eten en daarna stapten we een café binnen, waar we tot drie uur ’s ochtends dronken en ambiance maakten. En ’s anderendaags om negen waren we weer aan het zeilen. Maar dat lukt niet meer. ‘Koleirig’ dat ik daarvan werd! Dan zat ik eindelijk op de Middellandse Zee en dan kon ik ‘niks’ meer. Maar ‘mijn kapitein’ heeft op mij ingesproken.’

Nelly: ‘We hebben nu een vaste plaats in een haven in Mallorca van waaruit we kunnen rondtrekken. Het is een heel mooi vaargebied. Het beste wat je eigenlijk kan doen in plaats van te wachten op je pensioen is als jongere een sabbatjaar nemen. En beseffen dat een zeiler met tijd altijd goede wind heeft.’

Tekst: Raoul De Groote
Foto’s: Rik De Cloet